|
V#1199: Is
de Cursus ‘niet voor spirituele giganten’? Ik heb Kenneth
Wapnick tenminste een aantal keren horen zeggen dat Een cursus in wonderen ‘niet voor spirituele giganten’ is, en dat
het voor mensen op de ‘onderste trede van de ladder’ is. Het is waarschijnlijk
alleen maar mijn identificatie met het ego waardoor dit me zorgen baart, maar wat
ik bewust voel is dat het komt doordat ik het meest werkzame/snelste pad wil
gebruiken om me thuis te brengen. Kens uitleg van de Cursus heeft me enorm
geholpen om er zeker van te zijn dat ik de Cursus juist interpreteer, maar ik
dacht echt dat de Cursus het beste middel was. Is dat niet zo? Kun je nader
commentaar geven op die commentaren van Ken? Als de Cursus voor mensen op de
onderste sport van de ladder is, is het dan eerlijk om te zeggen dat de meesten
van ons zelfs nog helemaal niet op de ladder staan? A: Het is inderdaad een
nederig makende gedachte. Maar wanneer je ziet hoeveel materiaal eraan gewijd
is om ons te helpen met onze schuld, haat, oordelen en speciaalheid, en bovenal
ons eraan herinnert dat we een denkgeest hebben, is het niet zo moeilijk om te
aanvaarden dat Jezus niet spreekt tot ‘spirituele giganten’. Bovendien verwijst
hij naar ons als baby’s, kleuters en kinderen – in spirituele zin natuurlijk. Maar
het is zeker dat als we de lessen leren die hij ons onderwijst, we aan de top van
de ladder zullen komen, en misschien ‘sneller’ dan wanneer we andere middelen
hadden gebruikt. Maar zijn boodschap en onderwijs is niet gericht op degenen
die al bovenaan staan – de gevorderde leraren van God, en dat geldt zekervoor
de Leraren der leraren die helemaal niet meer op de ladder staan (H26.2). Om bij de metafoor van de
ladder te blijven, kunnen we zeggen dat iedereen tenminste één voet op de
eerste trede heeft, hoe onzeker de grip ook moge zijn. Want iedereen heeft een
juist gerichte denkgeest. Jezus verzekert ons dan ook dat we niet volslagen
krankzinnig zijn (T16.VI.8:8).
Iedereen heeft op de een of andere manier gedachten van vriendelijkheid en
onbaatzuchtigheid, hoewel ze zeldzaam en vluchtig kunnen zijn. Talloze mensen zijn diep
dankbaar voor de Cursus, omdat ze voelen dat ze eindelijk het pad hebben
gevonden waar ze zo lang naar gezocht hebben. Maar de meesten van ons worstelen
met een enorme weerstand, die voortkomt uit angst omdat we aanvoelen waar Jezus
het over heeft en waar deze cursus ons heenleidt. We denken graag van onszelf
dat we spiritueel zijn en dat is niet verkeerd of oneerlijk. Maar dat neemt
niet weg dat we het al bijzonder moeilijk vinden om het doel van onze relaties
en onze betrokkenheid bij de wereld te veranderen, laat staan om onze
identiteit als zuiver geest te aanvaarden. We vragen ons soms zelfs af of Jezus
het wel goed begrepen heeft! Wat bedoel je dat er geen wereld is! Hoe kun nu je
zeggen dat ziekte van de denkgeest is en niet van het lichaam, en - het ergste
van alles - dat het lichaam noch leeft, noch sterft! Meen je het werkelijk
serieus wanneer je zegt dat woede nooit gerechtvaardigd is, en dat we nooit
gerechtvaardigd zijn om onszelf als oneerlijk behandeld te zien? Met dit alles
worstelen we. Dus is het niet verwonderlijk dat hij ons op verschillende
manieren zegt dat we nog er niet klaar voor zijn om zijn hogere leringen over
tijdloosheid, geest en eenheid te aanvaarden. Daarom moeten we ons concentreren
op datgene waaraan we kunnen relateren: ons schijnbaar lichamelijke leven in de
wereld. Enkele voorbeelden: “Voor jou kán het wonder niet natuurlijk
lijken, want wat jij gedaan hebt om je denkgeest te schaden heeft hem zo
onnatuurlijk gemaakt dat hij zich niet herinnert wat natuurlijk voor hem is. En
wanneer jou gezegd wordt wat natuurlijk is, kun je het niet begrijpen”
(T16.II.3:1,2). “Eén broeder is alle broeders. Elke denkgeest
omvat alle denkgeesten, want elke denkgeest is één. Dat is de waarheid. Maar
maken deze gedachten de betekenis van de schepping duidelijk? Brengen deze
woorden volmaakte duidelijkheid met zich mee voor jou? Wat anders kunnen ze
lijken dan lege klanken, mooi misschien, juist qua gevoel, maar fundamenteel
niet begrepen, noch begrijpelijk. De denkgeest die zichzelf geleerd heeft
concreet te denken, kan abstractie niet langer vatten in de zin dat ze
alomvattend is. We moeten een weinig zien, opdat we veel leren” (WdI.161.1). “Wanneer de openbaring van jouw eenheid komt,
zal die gekend en volledig begrepen zijn. Nu hebben we werk te doen, want zij
die in de tijd leven, kunnen spreken over dingen die daarbuiten liggen, en
luisteren naar woorden die uitleggen dat wat nog komen moet al is
voorbijgegaan. Maar welke betekenis kunnen de woorden overbrengen aan hen die
nog steeds de uren tellen aan de hand waarvan ze opstaan, werken en gaan
slapen?” (WdI.169.10:2-4). “O mijn kind, als je eens wist wat God voor
jou wil, zou je vreugde compleet zijn! …. Ik kan niet zeggen hoe dat zal zijn,
want je hart is er niet klaar voor” (T11.III.3:1,6). We hoeven hierdoor niet
ontmoedigd te raken en ook geen tijd te besteden aan de vraag op welke trede
van de ladder we staan, omdat de metaforen van de ladder en de reis ons de
indruk geven dat het genezingsproces lineair is, en dat is het niet. Jezus
spreekt over het heilig ogenblik als “een
miniatuur van de eeuwigheid” (T17.IV.11:4), wat een manier is om te zeggen
dat de ervaring van het heilig ogenblik de ervaring is van voorbij het ego te
zijn. Omdat we de lessen van vergeving nog niet veralgemeend hebben, zullen we
het heilig ogenblik weer verlaten en opnieuw in het lichaam gecentreerd raken,
en dan heen en weer gaan tot er helemaal geen enkele aantrekkingskracht van het
egodenksysteem meer is. Onze bestemming is de gelukkige droom, de werkelijke wereld,
wanneer onze denkgeest in vrede zal zijn: geen conflict, geen angst, geen
schuld. Dan zijn we gevorderde leraren van God, zoals Jezus beschrijft in het
Handboek (H.4). |