|
V#1192:
Wat is er voorbij het fysieke? Wat is er
voorbij het fysieke? Iemand definieerde waanzin als steeds maar weer hetzelfde
doen en verschillende resultaten verwachten. Ik geloof dat de manier waarop de
meerderheid van ons leeft wellicht een betere definitie voor waanzin is: we
jagen op voedsel, we eten, slapen en planten ons voort. De benaderingen die we
ontwikkeld hebben om deze cyclus in stand te houden verschillen van elkaar,
maar met enige variatie geven ze dezelfde resultaten, ongeacht iemands maatschappelijke
status. Kan deze cyclus een geldige reden zijn voor ons bestaan? A: Om technisch accuraat
te zijn zouden we moeten zeggen dat er voorbij het fysieke niets is, omdat het
fysieke niet bestaat. Zeggen dat er iets voorbij het fysieke is, is zeggen dat
het op de een of andere manier werkelijk is. Echter, ervan uitgaande dat wij
het fysieke als werkelijk ervaren, kun je zeggen dat een van de voornaamste
doelen van Een cursus in wonderen is
ons te leren inzien dat die ervaring een verdediging tegen de waarheid is. De
waarheid is dat uitsluitend geest in een staat van volmaakte Eenheid werkelijk
is. Jezus leert ons hoe we zijn gaan geloven dat de fysieke wereld en het
lichaam werkelijk zijn, en hoe we dat onjuiste geloof ongedaan kunnen maken. “Het kan niet sterk genoeg worden benadrukt
dat deze cursus aanstuurt op een totale omkeer van denken” (H24.4:1). Door het
Tekstboek te bestuderen en de oefeningen in het Werkboek te doen verwerven we
geleidelijk de omslag in ons denken die ons voorbij het lichaam zal leiden (T18.VI) en voorbij alle afgoden (T30.III) die we gemaakt hebben als
vervanging voor onze ware Identiteit als geest, één met Gods Liefde. Waanzin is, vanuit het
perspectief van de Cursus, denken dat we werkelijk los van God bestaan als
gescheiden individuen. God is totaliteit. Er kan niets buiten de totaliteit
zijn, en denken dat dit wel kan, is waanzin, want het leidt er uiteindelijk toe
dat we zien wat er niet is! Jezus vertelt ons dan ook: “Er is één leven. Dat leven deel jij met Hem. Niets kan losstaan van
Hem en desondanks leven” (WdI.156.2:7-9); “Leven dat niet in de Hemel is, is
onmogelijk en wat niet in de Hemel is, is nergens” (T23.II.19:6). Ons werk
als student van deze Cursus is dus om de hulp van onze innerlijke Leraar te
vragen en zo te leren hoe we de wereld en het lichaam kunnen gebruiken om ons
geloof dat we afgescheiden zijn van God, onze Bron, ongedaan te maken. Hierdoor
zullen we in staat zijn om vrediger te leven, met minder schuld, woede en
oordelen. |