|
V#1118: Is God zich niet bewust van onze situatie? Ik heb “…en
toch verzekert Zijn Woord ons dat Hij de wereld liefheeft. Gods Woord heeft
beloofd dat vrede hier mogelijk is, en wat Hij belooft kan allerminst
onmogelijk zijn. Maar het is waar dat er op een andere manier naar de wereld
moet worden gekeken, willen Zijn beloften kunnen worden aanvaard. Wat de wereld
is, is slechts een feit. Jij kunt niet kiezen wat dit zou moeten zijn. Maar je
kunt wel kiezen hoe je ernaar wilt kijken. … Toch heeft Gods Oordeel over deze
vervormde wereld deze verlost en geschikt gemaakt om vrede te verwelkomen”
(H11.1:6-11; 4:6). “God
wendt Zich tot jou om hulp om de wereld te verlossen” (H29.8:2). “Jij hebt
wat vijandig staat tegenover wat zich vanbinnen bevindt naar buiten toe
geprojecteerd, en daarom moet je het wel op deze wijze waarnemen. Dat is de
reden waarom je dient te beseffen dat jouw haat zich in jouw denkgeest bevindt
en niet daarbuiten, voor je die kwijt kunt raken; en waarom je die kwijt moet
raken, voor je de wereld kunt waarnemen zoals ze werkelijk is” (T12.III.7:9-10). “De
wereld zoals jij die waarneemt kan niet door de Vader zijn geschapen, want de
wereld is niet zoals jij die ziet” (T11.VII.1:1). “Nu is
de vraag anders. Het is niet langer: ‘Kan in deze wereld vrede mogelijk zijn?’,
maar in plaats daarvan: ‘Is het niet onmogelijk dat vrede hier afwezig is?’”
(H11.4:11-12). “Op nieuwe
wijze waarnemen betekent eenvoudig opnieuw waarnemen, wat inhoudt dat je
voordien, of in de tussentijd, helemaal niet waarnam. Wat is dan de wereld die
op jouw waarneming wacht, wanneer je die ziet?” (T11.VII.1:5-6). “De
wereld die de heiligen zien is prachtig, omdat zij hun onschuld erin zien”
(T20.III.6:3). “Deze
lieflijkheid is geen fantasie. Het is de werkelijke wereld, stralend en zuiver
en nieuw, en alles sprankelt in de volle zon (T17.II.2:1-2). “Daar
is het altaar van God, waar Christus verwijlt. Je hebt het altaar wel ontwijd,
maar niet de wereld. … Breng je waarnemingen van de wereld naar dit altaar,
want het is het altaar gewijd aan de waarheid. Daar zul je zien dat je visie
veranderd is, en daar zul je leren waarlijk te zien. Vanaf deze plaats, waar
God en Zijn Zoon in vrede vertoeven en waar jij welkom bent, zul je in vrede
uitzien en de wereld naar waarheid aanschouwen” (T12.III.10:3-4, 6-8). A: Hoewel er in Een
cursus in wonderen zeker veel staat dat schijnbaar
iets anders zegt, maken de metafysische basisprincipes van de Cursus, als
deze goed begrepen worden, het heel duidelijk dat God abstract en niet persoonlijk
is. Als voorbeeld: in het begin van het Tekstboek, waar Jezus het ontstaan van
het ego bespreekt, maakt hij de volgende opmerking over kennis, wat een begrip
is dat de Cursus gebruikt om te verwijzen naar onze volmaakte verenigde
werkelijkheid in God, of de Hemel, in tegenstelling tot het domein van de
waarneming, wat de uitvinding van het ego is: “Abstract denken is van toepassing op kennis, omdat kennis volkomen onpersoonlijk is en
voorbeelden [d.w.z. specifieke zaken] onbelangrijk
zijn om haar te kunnen begrijpen. Waarneming is echter altijd specifiek en
daarom heel concreet” (T4.II.1:4-5, cursivering toegevoegd). Het persoonlijke – en interpersoonlijke – kan
alleen maar ontstaan uit een gedachte van afscheiding, waar er een specifiek
zelf en een afgescheiden specifieke ander kan lijken te zijn – iemand die
waarneemt en iemand die wordt waargenomen: “Ego-illusies
zijn heel concreet, hoewel de denkgeest
van nature abstract is. Een deel van de denkgeest wordt echter concreet
wanneer hij zich splitst. Het concrete deel gelooft in het ego, omdat het ego
op het concrete aangewezen is. Het ego is dat deel van je denkgeest dat gelooft
dat jouw bestaan door afscheiding wordt bepaald” (T4.VII.1:2-5). De Cursus
stelt vast dat zowel het bewuste als de waarneming het resultaat zijn van de afscheidingsgedachte.
“Het bewuste, het niveau van de
waarneming, was de eerste splitsing die na de afscheiding in de denkgeest werd
ingevoerd, wat de denkgeest tot waarnemer in plaats van schepper maakte. Het
bewuste wordt terecht als het domein van het ego aangemerkt” (T3.IV.2:1-2).
Het is duidelijk dat het bewuste en de waarneming dan ook geen toestanden of
vermogens van de ware God kunnen zijn, zoals de Cursus God karakteriseert. De eenheid die onze werkelijkheid is, zoals de
Cursus op vele verschillende manieren en in heel veel passages herhaalt, kan de
afscheiding of de daaruit volgende illusoire specifieke zaken en verschillen gewoonweg
niet herkennen. Evenmin kan de denkgeest die de afscheiding werkelijk heeft
gemaakt, zich zijn ware, niet-specifieke, eenheidsaard herinneren of die
begrijpen. “Totale abstractie is de
natuurlijke hoedanigheid van de denkgeest. Maar een deel ervan is nu
onnatuurlijk. Het beziet niet alles als één. Het ziet in plaats daarvan slechts
fragmenten van het geheel, want alleen zo kon het de partiële wereld bedenken
die jij ziet. … Eén broeder is alle broeders. Elke denkgeest omvat alle
denkgeesten, want elke denkgeest is één. Dat is de waarheid. Maar maken deze
gedachten de betekenis van de schepping duidelijk? Brengen deze woorden
volmaakte duidelijkheid met zich mee voor jou? Wat anders kunnen ze lijken dan
lege klanken, mooi misschien, juist qua gevoel, maar fundamenteel niet
begrepen, noch begrijpelijk. De denkgeest die zichzelf geleerd heeft concreet
te denken, kan abstractie niet langer vatten in de zin dat ze alomvattend is
(W161.2:1-4; 4:1-7). God weet dus niet dat wij hier zijn, dat wil
zeggen, Hij neemt niet waar dat wij
hier zijn, omdat de kennis die onlosmakelijk als volmaakte Eenheid met God
verbonden is, onpersoonlijk en niet-specifiek is en niet tot het domein van de
waarneming behoort. Als God op enige manier zou kunnen weten dat wij hier zijn,
zou Hij een afzonderlijke, persoonlijke God moeten zijn, die ons als
afgescheiden van Hem zou kunnen waarnemen, en zouden wij in feite afgescheiden
van Hem moeten zijn – allemaal in tegenspraak met de fundamentele leringen van
de Cursus over de aard van God en de werkelijkheid. Om het nog eens duidelijk
te stellen: het verwijzen naar God met Hij en Hem, wat in heel de Cursus
gebeurt, verleent aan Hem een Persoonlijkheid die alleen maar fictief kan zijn.
Als dit allemaal waar is, blijft de vraag waarom
er in de Cursus, zoals in de passages die jij citeert, zoveel wordt geschreven
dat schijnt te suggereren dat de afscheiding werkelijk is, dat God afzonderlijk
van ons bestaat, als een Persoon die Zijn kinderen ziet alsof ze onafhankelijk
van Hem in een wereld leven die buiten Hem waargenomen kan worden en waar Hij
ogenschijnlijk om geeft. Waarom presenteert de Cursus zich dan op deze wijze,
als de woorden in tegenspraak zijn met wat de Cursus zegt over de aard van onze
werkelijkheid en die van God: volmaakte eenheid? Deze vraag wordt zowel beknopt als in de diepte
besproken in een aantal antwoorden in deze Vraag- en antwoorddienst (bijv: V#27, V#42, V#72, V#85, V#156, V#157, V#228,
V#506, V#550, V#681, V#754, V#761, V#773, V#890, V#921, V#958, V#967). Maar
laten we de vraag nogmaals bekijken en alles misschien eens op een wat andere
manier samenvatten. Omdat we zo geïnvesteerd hebben in het geloof dat wij
afgescheiden wezens zijn, begrijpen we alleen dualiteit. Alles wat we ervaren
versterkt ons geloof in de afscheiding, en dus zou het niet bijzonder
behulpzaam zijn als ons wordt gezegd dat het allemaal een illusie is – dat de
wereld en het zelf dat we denken te zijn, niet werkelijk zijn, dus doe niet zo
moeilijk! In plaats daarvan is het nodig dat we onderwezen worden daar waar we
denken te zijn, want met onze eindige gespleten denkgeest, die we onszelf
hebben opgelegd, kunnen we de oneindige eenheid niet begrijpen. In feite is het
zo dat, als de Cursus in eerste instantie de oneindige, onpersoonlijke Eenheid
had benadrukt waarnaar de Cursus verwijst als God, dat heel waarschijnlijk meer
angst en verontrusting in onze denkgeest teweeggebracht zou hebben dan nu al gebeurt,
wanneer we eraan toe zijn de diepere implicaties van de Cursus te begrijpen. Er moet
ons eerst geleerd worden dat onze ervaring van afscheiding en dualiteit gebaseerd
is op geloof en niet op feiten, zodat we de geldigheid van al onze
interpretaties van onze ervaringen in twijfel kunnen trekken en onze investering
erin ongedaan laten maken. Met name al onze interpretaties die tot de conclusie
leiden dat wij of anderen het slachtoffer
zijn van personen of gebeurtenissen buiten onze controle moeten opnieuw worden
bezien. Deze benadering binnen het onderricht van de Cursus laat op een
krachtige manier een van zijn belangrijkste aandachtspunten zien: dat niet de
dualistische vorm van de illusie waarin we geloven veranderd moet worden, maar
het doel dat wij eraan hebben gegeven. Dualiteit als zodanig is niet het probleem.
Het probleem is ons geloof erin en
vooral het doel waarvoor we het hebben gebruikt: om te blijven geloven dat we
zondig en schuldig zijn, en daarom niet in aanmerking komen voor zachtaardige
correctie en werkelijke genezing. De eerste stap is dus niet om de dualiteit af
te wijzen of te ontkennen, maar er een ander doel aan te geven: de symbolen
voor de afscheiding gaan gebruiken om ons geloof in de afscheiding ongedaan te
maken. En dat is wat de Cursus doet. Deze
benadering wordt schitterend aangetoond door de manier waarop de Cursus de
christelijke termen en symboliek voor een ander doel gebruikt dan het doel dat het
traditionele christendom eraan gegeven heeft. Om te begrijpen hoe de Cursus de
correctie uitvoert, moeten we eerst begrijpen wat we hebben willen geloven over
deze zelfgemaakte dualistische God en onze relatie met Hem. Want door de
afscheiding als werkelijk te aanvaarden, hebben we ook een ongelooflijke dualistische
mythe over God aanvaard. We geloven dat hij Iemand zou zijn die van ons afgescheiden
is, en ons wil straffen omdat we tegen Hem gezondigd hebben door de keuze ons
tegen Zijn Liefde te keren en het paradijs dat Hij voor ons gemaakt heeft, af
te wijzen. Al degenen onder ons die geloven dat we hier in deze wereld zijn,
moeten ook geloven dat we de afscheiding tot stand hebben gebracht, en daarbij deze
anders zo almachtige God tot slachtoffer hebben gemaakt. En dus moet Hij wel
wraak zoeken, in de eerste plaats door ons uit het paradijs te verjagen dat Hij
ons voorwaardelijk heeft gegeven. Deze mythe van afscheiding en zonde leidt tot
overweldigende gevoelens van schuld en angst, die ons ervan weerhouden om
helder te zien wat wij zo dwaas gekozen hebben
om te geloven. Het
christendom geeft een levendige demonstratie van de op afscheiding gebaseerde
egoreligie die zonde en slachtofferschap als werkelijk aanvaardt en de enige
oplossing presenteert, die hij Gods plan
noemt, die de brutale moord op Zijn enige Zoon vereist. Heel specifiek vraagt Gods
plan dat Zijn zuivere en onschuldige Zoon een lichaam aanneemt, zodat hij als
een offer gemarteld en gedood kan worden, als vergoeding of verzoening voor onze
kwade gedachten en daden met God als ons slachtoffer, en ter bevrediging van
Zijn anders grenzeloze wraak. Er wordt nooit uitgelegd waarom God alleen maar
door een offerdood bevredigd kan worden, maar dit wordt simpelweg als de
waarheid aanvaard. Steeds weer legt het traditionele christendom er de nadruk
op dat onze zonden weggewassen zijn door het verlossende bloed van de Zoon. Hoe
vreemd het ook klinkt zonder enige bijkomende context, er bestaat weinig
twijfel over dat de fundamentele stellingen van het christendom nog altijd de
scepter zwaaien over veel denkgeesten in de westerse wereld. De verreikende
aantrekkingskracht ervan ligt in het feit dat het het onderliggende denksysteem
van het ego versterkt; en juist hiervan hangen onze persoonlijke identiteit en
het bestaan van de wereld af. Daar komt nog bij dat het aantrekkelijk is om te
zeggen dat God een afgescheiden Individu is die afscheiding en zonde erkent en
erop reageert, en een heilige legitimiteit verleent aan de hele onderneming van
het ego. De Cursus komt ter correctie van deze vreemde
overtuigingen, en gebruikt dezelfde dualistische vormen, spreek symbolisch over
God als een afzonderlijke individuele Persoon – onze Vader – en richt zich
ondertussen op onze overtuiging dat we Hem hebben aangevallen omwille van ons
verlangen om afgescheiden te zijn. De correctie blijft binnen een dualistisch
kader zolang onze angst voor eenheid en het verlies van het zelf te sterk
blijft. We krijgen de verzekering dat
onze Vader ons liefheeft, dat het alleen maar zo lijkt dat we God, onszelf en
elkaar aanvallen in onze koortsachtige verbeelding, en dat de wereld die we
hebben gemaakt alleen maar een
uiterlijke weergave is van onze eigen op dwaze wijze misleide en onjuiste
gedachten van afscheiding en zonde en schuld. Als we toelaten dat Zijn Heilige Geest onze
verkeerde waarnemingen corrigeert, zullen we de wereld in een volledig ander
licht beginnen te zien, terwijl we toch nog geloven dat de wereld van ons
afgescheiden en werkelijk is. En we zullen beginnen in te zien dat al onze ervaringen
een keuze representeren die we in onze eigen denkgeest hebben gemaakt over de
manier waarop we ons willen voelen. Wanneer al onze egowaarnemingen van aanval
en schuld gecorrigeerd zijn, zullen we uiteindelijk weten dat de uiterlijke
wereld, evenals het zelf dat wij geloofden dat we waren, niet werkelijk is. Deze
genezen waarneming is wat de Cursus de werkelijke wereld noemt, een staat van
denken waarin alle zonde en schuld ongedaan is gemaakt. Het is de
overgangsstaat, die zich nog steeds in het door het ego afgeleide domein van de
waarneming bevindt en aan de terugkeer naar kennis/God/de Hemel voorafgaat. Er
zijn veel passages die duidelijk maken dat de werkelijke wereld nog altijd een
illusie is en dus niet werkelijk, ondanks de naam ervan. We geven hier
tenslotte nog enkele passages die een correctie kunnen bieden voor elke strikt
dualistische interpretatie van de passages die jij geciteerd hebt, en die het
overduidelijk moeten maken dat de dualistische taal van de Cursus alleen
metaforisch bedoeld is en niet letterlijk opgevat moet worden. “Hij [de Zoon] ziet
die wereld steeds als buiten zichzelf, want dat is van doorslaggevend belang
voor zijn regeling. Hij beseft niet dat hij deze wereld maakt, want buiten hem
is er geen wereld. Als alleen de liefdevolle gedachten van Gods Zoon de
werkelijkheid van de wereld uitmaken, moet de werkelijke wereld zich wel in
zijn denkgeest bevinden” (T12.III.6:6-7; 7:1). “De
werkelijke wereld is het tweede deel van de hallucinatie dat tijd en dood
werkelijkheid zijn, en een bestaan leiden dat kan worden waargenomen”
(T26.V.12:3). “De
werkelijke wereld is nog altijd slechts een droom. Maar met andere figuren. Die
worden niet gezien als afgoden die verraad plegen” (T29.IX.7:1-3). “De
werkelijke wereld is de denkstaat waarin vergeving als het enige doel van de
wereld wordt gezien” (T30.V.1:1). “Een onjuiste gerichtheid-van-denken luistert
naar het ego en maakt illusies, neemt zonde waar en rechtvaardigt woede, en
ziet schuld, ziekte en dood als werkelijk. Zowel deze wereld als de werkelijke
wereld is een illusie, omdat een juiste gerichtheid-van-denken eenvoudig
voorbijziet aan, of vergeeft, wat nooit heeft plaatsgevonden. Daarom is dat
niet de Eenheid-van-denken van de
Christus-Denkgeest, wiens Wil één is met die van God” (VvT1.6). “Er is
een grensgebied van denken dat tussen deze wereld en de Hemel ligt. Het is geen
plaats, en wannéér je het bereikt, wordt niet door de tijd bepaald. .… We
hebben die aangeduid als de werkelijke wereld. En toch ligt hier een
tegenstrijdigheid, in die zin dat de woorden een beperkte werkelijkheid
veronderstellen, een gedeeltelijke waarheid, een segment van het universum dat
tot waarheid is gemaakt. Dit komt doordat kennis geen aanval op de waarneming
onderneemt. Ze worden bijeengebracht, en slechts één gaat verder voorbij de
poort waarachter Eenheid is (T26.III.2:1-2; 3:2-5). “Waarneming
zal haar betekenis verliezen wanneer ze vervolmaakt is, want alles wat tot
lering werd gebruikt zal geen functie meer bezitten. Niets zal ooit veranderen;
geen verschuivingen of schakeringen, geen verschillen en geen verscheidenheid
die de waarneming mogelijk maakten, zullen zich nog voordoen. De waarneming van
de werkelijke wereld zal zo kort zijn dat je amper de tijd zult hebben om God
ervoor te danken. Want God zal de laatste stap gezwind zetten wanneer jij de
werkelijke wereld hebt bereikt, en voor Hem bent gereedgemaakt. De werkelijke
wereld wordt simpelweg bereikt door de totale vergeving van de oude, de wereld
die jij zonder vergeving ziet” (T17.II.4:2-5; 5:1). “Deze
cursus zal tot kennis leiden, maar kennis zelf valt nog steeds buiten het
bestek van ons leerplan. ….We hoeven ons alleen te herinneren dat al wie de
werkelijke wereld bereikt – en verder kan het leren niet gaan – daaraan voorbij
zal gaan, maar op een andere wijze” (T18.IX.11:1, 3). “Want
als de Hemel en de aarde één worden, zal zelfs de werkelijke wereld uit je
zicht verdwijnen. Het einde van de wereld is niet haar vernietiging, maar haar
omzetting in de Hemel. De herinterpretatie van de wereld is de overdracht van
alle waarneming naar kennis” (T11.VIII.1:7-9). |