|
V#109: Een verduidelijking van de term ‘denkgeest’ Mijn
vraag gaat over de denkgeest. Ik begrijp dat we geest, denkgeest en lichaam
zijn, en dat het lichaam niet werkelijk is, maar een product van de denkgeest. Zoals
ik het begrijp, heeft de denkgeest de functie om te scheppen en toe te laten
dat onze geest (of ziel) zichzelf door
ervaring leert kennen, wat het uiteindelijke doel van alle spirituele
ontwikkeling is. De denkgeest bemiddelt in de ervaring tussen het lichaam en de
ziel, maar hij is in verwarring geraakt als gevolg van onze ervaringen in ons leven
in de wereld, en dus moet hij zich leren herinneren wie hij is – wat de Verzoening
is – door opnieuw onderwezen te worden. Op die manier kan de ziel zich, na zichzelf
in het fysieke domein ervaren te hebben met de denkgeest als bemiddelaar, met
God herenigen en de ervaringskennis die hij heeft opgedaan van wat het betekent
volmaakt te zijn, opnieuw integreren. Maar als dat zo is, waarom is er dan überhaupt
een denkgeest nodig? Waarom kan de ziel geen controle hebben over het lichaam
om alle ervaring die hij nodig heeft te verkrijgen, en zo de behoefte aan een
denkgeest helemaal omzeilen? A: Je vraag duidt erop dat je sommige
leringen van de Cursus probeert te vermengen met leringen van andere spirituele
paden, terwijl deze niet echt verenigbaar zijn met de Cursus. Ter verduidelijking
zullen we dan ook kijken naar wat de Cursus zegt, in het licht van jouw vraag.
We zullen ook het verschil in terminologie bezien in vergelijking met de andere
paden, en kijken naar wat hij zegt over het doel van de denkgeest en het
lichaam. De Cursus
ziet alleen de geest, of ziel, als werkelijk (en gebruikt liever de term ‘geest’
in plaats van ‘ziel’) (VvT1.3). De
denkgeest heeft in de Cursus een aantal verschillende betekenisniveaus (voor
een meer diepgaande bespreking van de denkgeest,
zou je V#65 kunnen bekijken). Wanneer Denkgeest met een hoofdletter is geschreven,
verwijst deze naar ofwel God ofwel Christus, Zijn enige Zoon (VvT1.1: 2), en is in die zin volledig
equivalent aan geest. Met een kleine letter geschreven, verwijst de denkgeest naar
de gespleten denkgeest van de Zoon (VvT1.2:1-3)
nadat hij schijnbaar in slaap is gevallen en een droom van afscheiding droomt. Hierin
gelooft hij dat hij afgesplitst of afgescheiden is van God en Hem aanvalt. Deze
denkgeest is illusoir. Hij heeft geen werkelijkheid los van ons geloof erin,
dat op een vergissing berust, en is de bakermat van zonde, schuld en angst. Vervolgens,
als verdediging tegen deze ingebeelde schuld en angst in de denkgeest over de
aanval op God, verzint de gespleten denkgeest onder leiding van het ego een
lichaam om zichzelf in te verbergen, en een wereld buiten zichzelf waarnaar
alle aanval en schuldgevoelens (die in de denkgeest zijn) kunnen worden verplaatst.
Nogmaals, niets hiervan is werkelijk volgens de Cursus. Maar we geloven erin
omdat we willen dat de afscheiding werkelijk is, maar zonder er verantwoordelijk
voor te willen zijn. De Cursus
ziet geen positief of Goddelijk doel in de gedachte van afscheiding die geleid heeft
tot de gespleten denkgeest en zijn verdediging: het lichaam en de wereld. Elke
ervaring die hiervan afkomstig is, heeft op zich dan ook geen waarde. Maar de Cursus
maakt wel een verder onderscheid binnen de gespleten denkgeest, en het is door
inzicht hierin dat we kunnen inzien hoe het lichaam en onze ervaringen in de
wereld een nuttig doel kunnen dienen. Maar nogmaals, het doel is niet om iets
positiefs te doen, maar wel om het negatieve ongedaan te maken door toe te laten
dat al onze vergissingen of verkeerde overtuigingen over onszelf gecorrigeerd
worden. De Cursus noemt dit proces vergeving. De gespleten
denkgeest is niet alleen het thuis van het ego - het onjuist gerichte
denkaspect van het afgescheiden zelf - maar ook het thuis van de Heilige Geest.
Deze herinnert ons aan onze werkelijkheid als Gods Enige ware Zoon, en is dus
in staat om al onze verkeerde overtuigingen te corrigeren over wie we zijn en
wat de wereld is (VvT1.5, 6). Hij brengt
ons in herinnering dat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden en dat we God nooit
hebben aangevallen – wat de Cursus bedoelt met het Verzoeningsprincipe (H2.2:2-3). En zo hebben we, als de
schijnbaar afgescheiden Zoon, een keuze om ofwel te luisteren naar de scherpe en
schrille leugens van het ego – waardoor we alleen maar dieper in het moeras van
zonde en schuld terechtkomen - of naar de zachte correcties van de Heilige Geest.
Door Zijn correcties kunnen we onze verkeerde overtuigingen over wie we zijn ongedaan
maken, en terugkeren naar het Thuis dat we nooit verlaten hebben. Om dit
proces van ongedaan maken te laten plaatsvinden, moeten we aandacht besteden
aan onze ervaringen als een lichaam in de wereld, door ons er bewust van te worden
welke interpretaties we aan deze ervaringen geven – meestal een variatie op het
zien van onszelf als slachtoffer en anderen als dader, zodat de schuld buiten
onszelf blijft. In deze zin zou de Cursus dus zeggen dat onze ervaringen van
waarde zijn. Want zo kunnen we deze onterechte gedachten naar de Heilige Geest brengen
om gecorrigeerd te worden. Het enige werkelijke doel dat de wereld en ons
lichaam dan ook hebben, is ons te onderwijzen dat ze niet zijn wat ze volgens
onze overtuiging waren. Wanneer we deze valse overtuigingen loslaten,
herinneren we ons Wie we werkelijk zijn als de Christus, wiens werkelijkheid
als geest nooit veranderd is, want hij is even onveranderlijk volmaakt als onze
Bron. Op dat punt zijn het lichaam, de wereld, en de gespleten denkgeest gewoon
verdwenen, zoals de duisternis verdwijnt als er licht op straalt, want ze hebben
geen werkelijkheid. |