|
V#1023:
Kan ik vragen om een ‘brandend braambos’ of een teken? Ik maak een hele moeilijke periode door omdat iemand in de familie een terminale ziekte heeft. Ik kan mezelf zo vaak ik wil vertellen dat ziekte een illusie is, maar een stemmetje in m’n hoofd blijft maar zeggen dat er geen God is en de Cursus slechts fantasie. Ik heb de Heilige Geest gevraagd om mij een teken, een ‘brandend braambos’ te geven. Hoe weten we dat God bestaat en dat de Cursus het woord van God is? A: Wanneer iemand in onze
nabijheid een terminale ziekte heeft, verlangen we wanhopig naar troost. De
boodschap van Een cursus in wonderen,
dat deze wereld een droom is en we thuis in de Hemel verblijven, kan zeker een
troost zijn. Maar het is zeker geen troost voor dat deel van onze denkgeest dat
van streek raakt door gebeurtenissen in deze wereld. Voor het ego is het idee
dat alles hier een illusie is, een afschuwelijke gedachte. Daarom moeten we op zo’n moment onszelf niet om de oren slaan met het idee dat
de gebeurtenis niet werkelijk is, maar in plaats daarvan goed voor onszelf
zorgen en alles doen wat ons troost geeft. Onthoud
dat de Cursus zegt dat het “haast
onmogelijk [is] zijn bestaan (van het lichaam) in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” (T2.IV.3:10,11). Alles wat we als werkelijkheid zien in deze wereld: “wil de heilige Zoon van God ervan
overtuigen dat hij een lichaam is, geboren in wat sterven moet, niet bij machte
om aan de broosheid ervan te ontkomen, en gebonden door wat het hem gebiedt te
voelen” (T31.VIII.1:2). De Cursus erkent dus dat
we veel pijn hebben en vraagt niet te doen alsof dat niet zo is. Juist het
tegenovergestelde, de Cursus vraagt ons eerlijk naar onze pijn te kijken. Dit is nodig omdat we niet
een gedeelte uit onze ervaring kunnen uitkiezen om wel of niet in te geloven. Zolang we geloven dat iets hier
werkelijk is – bijvoorbeeld dat we ‘s morgens iemand zien wanneer we in de
spiegel kijken – moeten we toegeven dat we denken dat alles hier werkelijk is. Het feit dat we fysieke en
psychologische pijn voelen, zegt ons hoezeer we geloven in de werkelijkheid van
ons lichaam en deze wereld. In feite is er voortdurend een stemmetje dat zegt
dat de Cursus een grap is en dat God niet bestaat. Als deze
er niet was, zouden we de Cursus niet nodig hebben en zouden we waarschijnlijk
ook niet hier zijn. Een van de voordelen van
een moeilijke tijd is dat de angst en de pijn die op dat moment naar boven
komen, maar die we altijd al bij ons droegen, ons scherp bewust kunnen maken
van wat we werkelijk geloven. En
daardoor kunnen we zien dat we veel beter af zouden zijn als we iets anders
zouden geloven. De vraag is: wat moeten we geloven en hoe krijgen we onszelf zover om dat te doen? De Cursus claimt niet de
Stem van God te zijn. In feite zegt het: “God
heeft geen weet van afscheiding.” (P2.VII.1:11)
Dit betekent dat God met geen mogelijkheid van deze wereld kan weten. Verder
verklaart het: “de wereld werd gemaakt
als een aanval op God” en als “een plaats waar God niet binnen kon gaan.”
(WdII.3.2:1,4) De Cursus komt niet van
God. Hij komt van de herinnering van Gods Liefde zoals die door Jezus
belichaamd werd. Deze herinnering blijft aanwezig in elke gespleten denkgeest.
De Cursus is niet de enige of de ultieme waarheid. Het is een middel,
gereedschap, geďnspireerd door Gods alomvattende Liefde. Zijn enige doel is ons
te herinneren aan die Liefde. En we zouden er niet aan herinnerd kunnen worden
(en door het onderwijs van de Cursus geraakt worden) als we die Liefde niet al
zouden kennen. Jezus,
de Heilige Geest en Gods Liefde: we hebben ze nodig. Niet in de wereld maar in
onze denkgeest. Gelukkig is dat precies waar zij zijn. Alles wat we nodig
hebben is al aanwezig in
onze denkgeest. Daarom zegt de Cursus: “Je kiest altijd tussen jouw
zwakheid en de kracht van Christus in jou” (T31.VIII.2:3)
en “Hij [de Heilige Geest] is in dat deel van je denkgeest dat
steeds voor de juiste keuze pleit.” (T5.II.8:1,2) De Heilige Geest kan je
geen brandend braambos geven, want de Heilige Geest is niet buiten jou. Maar
een brandend braambos is ook niet wat we nodig hebben. Wat we nodig hebben is
een uitweg uit onze pijn. En daarvoor hoeven we enkel bereid te zijn om te
zeggen: “Misschien heb ik me vergist” en Jezus of de Heilige Geest te vragen
onze hand vast te houden en met ons naar de pijn te kijken, zonder te oordelen.
Zo kunnen we zien dat, hoewel pijn heel erg echt kan aanvoelen, er zelfs
temidden van die pijn een bron van liefde, kracht en vrede is. Daar kunnen we
ons toe wenden. En wat kan er meer troostend zijn dan dat? Geef jezelf deze troost. Kennis en begrip zullen volgen. |